San Carlos

Zestiende en Zeventiende Eeuw

Tijdens zijn vierde en laatste reis naar Amerika in 1502 bereikt Columbus na een lange tocht eindelijk vaste grond. Na een flinke storm weet hij beschutting te vinden vlak bij de kust die nu de grens vormt tussen Honduras en Nicaragua. Hij noemt het gebied Cabo Gracias a Dios. Vervolgens daalt hij af langs de Atlantische kust.

De ontdekking

Volgens schattingen wonen er aan het begin van de 16e eeuw in Nicaragua zo'n 600.000 mensen. Het betreft verschillen Indianenstammen, zoals de Rama's, Sumu's, Miskitos, Guatusos, Suerres, Melchoras, Pipiles en Votos. Een van de twee belangrijkste groepen is op dat moment de Niquiranos, die tot de culturele familie van de Azteken behoren.
Twintig jaar later vertrekt er vanuit Panama een expeditie onder leiding van Gil Gonzáles Dávila naar het noorden. Hij bereikt de Rivas-landengte tussen de Grote Oceaan en het Meer van Nicaragua. Hij belandt aan het hof van Nicarao, het opperhoofd van de Niquiranos en brengt daar enkele dagen door. Nicarao laat zich overhalen zichzelf en zijn onderdanen tot het christendom te bekeren, waarop de Spanjaarden uit erkentelijkheid besluiten het land naar hem te noemen. Later dat jaar worden de Spanjaarden aangevallen door Diriangen, het hoofd van de Chortegas, de andere belangrijke groep indianen, verwant aan de Maya's, en moeten het land verlaten. Omdat Dávila het goud dat hij in Nicaragua had verzameld niet afstaat aan zijn opdrachtgever, valt hij in ongenade en wordt er twee jaar later een nieuwe expeditie gestuurd die als eerste veroveraars gelden. Deze expeditie, geleid door Francisco Hernández de Córdoba brengt het westelijk deel van Nicaragua onder Spaans bewind.
De oorspronkelijke bevolking wordt op bloedige wijze onderworpen. Grote groepen worden als slaven verscheept en een grote groep sterft aan ziekten die door de Spanjaarden worden meegenomen. Van de in totaal 600.000 inwoners zijn er volgens de Spanjaarden in 1548 nog 11.137 over.
In die tijd is Nicaragua een van de provincies van het kapitein-generaalschap van Guatemala.

Het oostelijk deel van het land, dat vooral bestond uit tropisch regenwoud, wordt door de Spanjaarden ongemoeid gelaten, maar door de Engelsen bevolkt. In 1525 "ontdekte" kapitein Ruy Díaz, burgemeester van de koloniale hoofdstad Granada, de Río San Juan en daarmee ook het grote meer van Nicaragua, dat door de inheemse bevolking Cocibolca werd genoemd, maar door de veroveraars "Mar Dulce", Zoete Zee wordt gedoopt.
De rivier de San Juan die vanaf de Atlantische Oceaan toegang gaf tot Granada ontwikkelt zich tot een drukke handelsroute en dient als doorvoerroute van edelmetalen en andere producten die in de kolonie werden gewonnen en werden verscheept naar Spanje. Spanje besloot in die gebieden die zij hadden veroverd wel steden en dorpen te bouwen, maar langs de rivier waren forten en militaire bolwerken van groter belang. Dit heeft er mede toe geleid dat de regio zich lange tijd niet ontwikkelde.

 

Interoceanisch kanaal

Met de tijd groeide de belangstelling van andere Europese landen voor de rivier en groeide ook het idee om een kanaal aan te leggen tussen de beide oceanen. De Engelsen waren het meest geïnteresseerd in die optie, omdat controle over een interoceanische route zou betekenen dat de macht van Spanje kon worden ingeperkt. Spanje had tot dan toe het handelsmonopolie, waardoor Engeland geen handel kon drijven met bijvoorbeeld de rest van Midden-Amerika.
In de tweede helft van de Zeventiende eeuw probeerde Engeland zijn gebied uit te breiden met behulp van de boekaniers. Niet lang daarna verhevigde de strijd tussen de beide landen en werden Spaanse schepen op de Río San Juan aangevallen en werd de haven aan de Caraïbische Zee onbruikbaar door aanwezigheid van Engelse piraten. Hierdoor nam de handel via de rivier enorm af. Bovendien zorgde een aardbeving in 1648 voor flinke verschuivingen in de rivier, waardoor er bepaalde scheepvaart niet meer mogelijk was.
De Engelsen hadden ondertussen een handelspact gesloten met de Miskitos, Indianen aan de Oostkust, en konden daardoor ook voet aan de grond krijgen in die regio. Dit pact werd al snel omgevormd tot een militair pact, dat werd gebruikt om de Spaanse steden neer te halen. Zo lukte het de Engelsen in 1665 Granada aan te vallen en de stad viel in 1670. Als antwoord versterkten de Spanjaarden hun militaire macht in de regio. De bewoners van San Carlos trokken allemaal naar Granada en lieten slechts een verdedigingsbolwerk aan de rivier achter. Van dat oorspronkelijke fort is nog slechts een stuk muur met twee kanonnen over. Nu zit het bekendste restaurant van San Carlos op die plek:
El Mirador.

Enkele jaren later, in 1673, bouwen de Spanjaarden een fort op de plek waar nu El Castillo ligt: Limpia y Pura Concepción. Vandaag de dag bestaat het fort nog steeds en is het als museum te bezoeken.